Plenair Perin-Gopie bij behandeling Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026



Verslag van de vergadering van 19 mei 2026 (2025/2026 nr. 29)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 10.43 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):

Dank u wel, voorzitter. U mag mij overigens gewoon aanspreken met alleen Perin, als u wilt. Om het makkelijker te maken. Dank u wel.

Vandaag spreken we over de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026, een wet die volgens de minister noodzakelijk is voor de invoering van het Europese Asiel- en Migratiepact, maar die in werkelijkheid veel meer doet dan alleen implementeren. Deze wet is niet slechts een technische omzetting van Europees recht. Zij betekent een fundamentele stelselwijziging van het Nederlandse asielbeleid, de grootste wijziging in 25 jaar. Tijdens de technische briefing gaven juristen van het ministerie bovendien aan dat hier sprake is van een dermate omvangrijke stelselwijziging dat zij het opmerkelijk vonden hoe snel de parlementaire behandeling gaat in deze Kamer. Grote stelselwijzigingen vragen een zorgvuldige beoordeling door deze Kamer en ik concludeer dat we deze wet onzorgvuldig en snel hebben behandeld. De Eerste Kamer is geen politiek scorebord. Wij toetsen wetten op uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en rechtsstatelijkheid, maar ook op de verenigbaarheid met grond- en mensenrechten. Juist bij wetgeving die diep ingrijpt in levens van mensen, in de uitvoering en in de werking van onze rechtsstaat moeten wij scherp zijn.

Het eerste punt dat ik wil maken, is dat deze wet veel verder gaat dan wat noodzakelijk is op grond van het Europese pact. Het wetsvoorstel bevat namelijk vele nationale koppen. Ik weet dat deze Kamer vele tegenstanders kent van nationale koppen. De Raad van State is ook opvallend helder over deze koppen. De Afdeling advisering stelt expliciet dat Nederland op meerdere onderdelen kiest voor aanvullende nationale verzwaringen die niet dwingend voortvloeien uit het pact. Daarbij noemt de Raad van State onder andere het tweestatusstelsel zoals wij dat in Nederland willen vormgeven, de strengere nareisvoorwaarden, het afschaffen van de asielvergunning voor onbepaalde tijd, het verkorten van vergunningen en het afschaffen van de voornemenprocedure. Ook uit de ambtelijke briefing aan deze Kamer blijkt dat het kabinet kiest voor verkorting en versobering van procedures tot het Europese minimum. Daarmee is dit debat nadrukkelijk een debat over nationale politieke keuzes en juist nationale politieke keuzes horen door deze Kamer vol te worden getoetst op de proportionaliteit, de uitvoerbaarheid en de rechtsstatelijkheid.

Volt en de Fractie-Visseren-Hamakers hebben fundamentele vragen bij deze keuzes. Waarom kiest de minister ervoor om de grensprocedure in plaats van de reguliere procedure toe te passen op aanvullende categorieën boven op wat Europees verplicht is, zeker nu juist de procedures gepaard gaan met verkorte termijnen, beperkte rechtsbescherming en een groter risico op onzorgvuldige besluitvorming? Waarom kiest de minister ervoor om de asielvergunning voor onbepaalde tijd af te schaffen, terwijl dit niet uit het pact voortvloeit? Internationale bescherming moet ook daadwerkelijk beschermen. Een systeem waarin mensen voortdurend opnieuw moeten procederen over hun verblijfsrecht ondermijnt rechtszekerheid, participatie en integratie. Bovendien zal het leiden tot extra verlengingsprocedures, extra druk op de IND en extra belasting van de rechtsspraak.

Nu zijn er al schrijnende situaties waarin mensen jarenlang moeten wachten op een beslissing over hun asielaanvraag en tegen de tijd dat mensen eindelijk hun verblijfsvergunning krijgen, is die dan al feitelijk verlopen. Het is namelijk zo dat je asielvergunning, als je die krijgt, ingaat op de datum dat je de aanvraag deed en we zien dus nu al situaties waarin mensen een verlopen verblijfsvergunning krijgen. Mijn vraag aan de minister is hoe hij gaat voorkomen dat deze wet de druk op de IND vergroot en deze situaties dus juist vaker voor gaan komen, ook nu de vergunningen korter zullen zijn.

Voorzitter. Dan de uitvoerbaarheid. De minister schrijft aan deze Kamer dat alle organisaties in de migratieketen zich voorbereiden op de grootste stelselwijziging in 25 jaar. Tegelijk lezen we dat het nieuwe ICT-systeem van de IND niet op tijd gereed is en dat noodgedwongen moet worden doorgewerkt met aanpassingen in het oude systeem. De minister schrijft ook dat het onvermijdelijk is dat zich na 12 juni onvolkomenheden zullen voordoen. Daarnaast erkent de minister de personeelstekorten bij rechtbanken, de tekorten aan asieladvocaten en een toenemende druk op de beroepsfase. Dan vraag ik me toch af waarom de minister er juist in deze context voor kiest om nationale koppen op het pact te zetten. Waarom kiest de minister niet voor een zo sober en uitvoerbaar mogelijke implementatie?

En dan de rechtsbescherming. De minister kiest ervoor om de asielprocedure fors te versoberen. Nationale processtappen worden geschrapt, beroepstermijnen verkort en procedures versneld en daarbij verdwijnt ook de voornemenprocedure. Hier wordt het echt heel zorgelijk, want de minister erkent zelf dat door het afschaffen van de voornemen- en zienswijzeprocedure besluiten waarschijnlijk meer onvolkomenheden zullen bevatten en beroepen vaker gegrond verklaard zullen worden. De minister zegt hiermee feitelijk: we verwachten meer fouten in de besluiten, maar we vinden die snelheid belangrijker. Volt en de Fractie-Visseren-Hamakers vinden dat zeer problematisch, zeker in het vreemdelingenrecht. Waar besluiten diep ingrijpen in levens van mensen, mag snelheid nooit de enige maatstaf zijn en juist daarom is onafhankelijke juridische ondersteuning essentieel. Onze fracties vinden het onwenselijk dat de wet onvoldoende borgt dat juridische counseling daadwerkelijk onafhankelijk van de beslissingsautoriteit wordt georganiseerd. Effectieve rechtsbescherming vereist immers dat mensen toegang hebben tot deskundige en onafhankelijke begeleiding, zeker in versnelde procedures met verstrekkende gevolgen.

Dan de positie van kinderen in de opvang. We weten inmiddels dat veel kinderen in asielopvanglocaties langdurig wachten op onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs, gemeenten en maatschappelijke organisaties trekken daar al langer over aan de bel. Tegelijkertijd scherpt de herschikte Opvangrichtlijn juist de onderwijsverplichting aan. Kinderen moeten binnen twee maanden daadwerkelijk toegang krijgen tot onderwijs, waar dat nu drie maanden is en die driemaandentermijn wordt nu ook al niet voor alle kinderen gehaald. De minister kiest voor versnelde procedures en strengere maatregelen. Hoe gaat hij tegelijkertijd voldoen aan de aangescherpte onderwijsverplichting? Hoe wordt gemonitord of kinderen in opvanglocaties daadwerkelijk tijdig onderwijs ontvangen en welke instantie wordt verantwoordelijk voor toezicht en handhaving? Ik vraag ook welke consequentie de minister eraan verbindt als kinderen maandenlang geen onderwijs krijgen. De Leerplichtwet geldt immers voor alle kinderen die zich in Nederland bevinden. Voor Nederlandse ouders geldt dat de overheid snel optreedt wanneer kinderen zonder geldige reden thuiszitten. Hoe voorkomt de minister dat voor kinderen in de opvang in de praktijk een lagere standaard geldt? Hoe wordt specifiek geborgd dat ook kinderen in noodopvanglocaties, crisisopvang en gezinnen die frequent worden overgeplaatst daadwerkelijk structureel toegang krijgen tot regulier onderwijs?

Voorzitter. Dan specifiek de positie van kinderen rondom de grensprocedure. Wij hebben stevige zorgen over grensdetentie en vreemdelingenbewaring van kinderen. Detentie van kinderen op basis van hun migratiestatus is nooit in het belang van het kind. Er is geen kinderrechtenorganisatie die zich kan vinden in de lijn van de minister dat kinderen in detentie horen. Ik constateer bovendien dat het pact detentie voor kinderen niet verplichtstelt. Toch kiest Nederland ervoor om grensdetentie en vreemdelingenbewaring voor kinderen structureel mogelijk te maken. Waarom, vraag ik de minister. Hoe verhoudt dit zich tot artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag, waarin het belang van het kind de eerste overweging moet vormen? Ik vraag de minister of hij kinderen heeft geraadpleegd en heeft gevraagd hoe zij aankijken tegen grensdetentie en vreemdelingenbewaring. Onderdeel van de kinderrechtentoets is namelijk om ook kinderen te bevragen. De minister schrijft in de beantwoording dat minderjarigen in uitzonderlijke gevallen in grensdetentie of vreemdelingenbewaring kunnen worden geplaatst, onder andere wanneer er sprake is van signalen van mensenhandel, mensensmokkel of twijfel over gezinsbanden.

De heer Van Hattem i (PVV):

Ik wil mevrouw Perin van Volt toch iets vragen. Zij heeft het over kinderen, maar in veel gevallen gaat het over de categorie van 16- en 17-jarigen die vooruit worden gestuurd als alleenstaande minderjarige vreemdelingen om alvast een brug te slaan richting de Europese Unie om vervolgens voor de hele familie gezinsmigratie te kunnen afdwingen. Op die manier wordt het perfide netwerk van mensensmokkelaars in stand gehouden, juist over de rug van minderjarigen die hier vervolgens ook nog met alle mogelijke problemen te maken krijgen qua opvang en zo. Kan mevrouw Perin aangeven hoe het niet in detentie plaatsen van bepaalde groepen minderjarige vreemdelingen die zich hier melden, zich verhoudt tot de effectieve aanpak van het perfide stelsel van mensensmokkelaars?

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Wij hebben ons te verhouden tot kinderrechtenverdragen waarin expliciet staat dat het nooit in het belang van een kind is, zeker niet in een migratieprocedure, om het in een gevangenis te stoppen. Bovendien regelt de minister bij de grensprocedure niet dat alleenstaande minderjarigen in grensdetentie komen; die zijn daarvan uitgesloten.

De heer Van Hattem (PVV):

Maar is het dan wel in het belang van kinderen, van minderjarigen of hoe je ze ook wilt noemen, dat dit netwerk van mensensmokkel in stand blijft, met alle gevolgen en risico's van dien?

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Ik vraag mij dan heel erg af of mensensmokkel nou wordt voorkomen door kinderen die slachtoffer zijn van mensensmokkel in de gevangenis te stoppen. Volgens mij stoppen we dan de verkeerde personen in detentie. We zouden mensensmokkelaars moeten aanpakken en die in detentie moeten stoppen, niet kinderen.

De voorzitter:

De laatste keer, meneer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Je moet dit maximaal afschrikken. Je moet proberen dit op alle mogelijke manieren juist te voorkomen. Als daar detentie voor nodig is, is die dus juist hard nodig om te voorkomen dat er nog meer mensen hiernaartoe kunnen komen. Wij zitten hier anders met de overlast en de problemen. Dit blijft anders een aanlokkelijk middel om migratie richting de Europese Unie in stand te houden. Is mevrouw Perin het daarmee eens?

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Ik ben het daar natuurlijk helemaal niet mee eens! Volt staat voor een democratische rechtsstaat. In een democratische rechtsstaat hebben we ons te verhouden tot alle rechten die wij mensen gunnen, onder andere tot onze grondrechten, waarin we ook kinderen beschermen, en tot het internationale Kinderrechtenverdrag, dat zegt dat kinderen gewoon in vrijheid moeten kunnen leven, bij hun familie moeten kunnen opgroeien en dat zij recht hebben op onderwijs. Dat is in detentie allemaal niet mogelijk. Detentie is bedoeld voor criminelen. Ik ben het helemaal eens met iedereen die zegt dat criminelen de gevangenis in moeten. Daar is dus geen twijfel over mogelijk.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Ja. Even kijken. Waar was ik gebleven?

Ik constateer dus dat het pact detentie van kinderen niet verplicht stelt. Toch kiest Nederland ervoor om grensdetentie en vreemdelingbewaring van kinderen structureel mogelijk te maken. Ik vraag de minister waarom hij dat doet. O, dit had ik volgens mij al gezegd. Nou ja.

Hoe verhoudt het plaatsen van kinderen in detentie zich tot artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag, waarin het belang van het kind de eerste overweging moet vormen? Heeft de minister kinderen geraadpleegd en gevraagd hoe zij aankijken tegen het plaatsen van kinderen in grensdetentie of vreemdelingenbewaring? De minister schrijft in de beantwoording dat minderjarigen in uitzonderlijke gevallen in grensdetentie of vreemdelingenbewaring kunnen worden geplaatst, onder andere wanneer er sprake is van mensenhandel, mensensmokkel of twijfel over gezinsbanden. Dat wringt. Slachtoffers van mensensmokkelaars zijn in de eerste plaats kwetsbare personen, die bescherming, gespecialiseerde opvang en zorgvuldige begeleiding nodig hebben. Dat geldt zeker voor minderjarigen. De Opvangrichtlijn noemt slachtoffers van mensenhandel expliciet als personen met een bijzondere opvangbehoefte. Tegelijkertijd lezen we in de beantwoording van de minister dat juist signalen van mensenhandel aanleiding kunnen vormen om minderjarigen en gezinnen in bewaring te plaatsen. Wij vragen de minister daarom hoe dit zich verhoudt tot het uitgangspunt van detentie als ultimum remedium, de verplichting uit de Opvangrichtlijn om bijzondere opvangbehoeften tijdig vast te stellen en het uitgangspunt dat het belang van het kind de eerste overweging moet zijn.

Voorzitter: Vos

Mevrouw Perin-Gopie (Volt):

Kan de minister toelichten waarom een mogelijk slachtoffer van mensenhandel in een gesloten setting terecht zou moeten komen in plaats van in een beschermingsgerichte opvangvoorziening. Hoe krijgen deze kinderen in asieldetentie of vreemdelingenbewaring toegang tot hun recht op onderwijs? Welke specifieke alternatieven voor detentie zijn er ontwikkeld voor mogelijke slachtoffers van mensenhandel, waaronder kinderen? Kan de minister expliciet toezeggen dat gezinnen met kinderen die mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel, nooit in grensdetentie of vreemdelingenbewaring worden geplaatst? Als deze toezegging niet gedaan wordt, overweeg ik op dit punt een motie in te dienen.

Onze fracties maken zich daarnaast zorgen over het tweestatusstelsel en de aanvullende voorwaarden voor het nareizen van subsidiair beschermden. Een wachttijd van twee jaar en aanvullende inkomens- en huisvestingseisen betekenen in de praktijk dat gezinnen langdurig van elkaar gescheiden kunnen raken. Dit raakt direct aan het recht op een gezinsleven, aan kinderrechten, aan de menselijke maat en bovendien aan vragen over proportionaliteit en gelijke behandeling. Zeker voor minderjarige kinderen is een langdurige scheiding van de ouders ingrijpend. Onze fracties vragen de minister daarom hoe hij dit proportioneel acht, juist nu de minister zelf erkent dat deze aanvullende voorwaarden niet rechtstreeks voortvloeien uit het Migratiepact.

Onze fracties vragen de minister daarnaast hoe hij omgaat met situaties waarin gezinsbanden in de praktijk evident bestaan maar in het land van herkomst niet formeel konden worden vastgelegd. Denk bijvoorbeeld aan pleegkinderen die na oorlog of vervolging worden verzorgd door familieleden zonder dat adoptie juridisch heeft kunnen worden geformaliseerd.

Ook vraag ik hoe de minister voorkomt dat deze wet in de praktijk discriminerend uitpakt voor lhbtiq+-personen voor wie in het land van herkomst het onmogelijk of zelfs strafbaar is om te trouwen. Hoe verhoudt dat zich tot artikel 8 van het EVRM, de Gezinsherenigingsrichtlijn en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens?

Voorzitter. Tot slot de wetgevingskwaliteit. De Raad van State is kritisch op de grote hoeveelheid delegatiebepalingen in dit wetsvoorstel. Volgens de Afdeling advisering worden te veel wezenlijke keuzes doorgeschoven naar lagere regelgeving. Dat raakt aan een principieel punt: het primaat van de wetgever. Juist bij wetgeving die raakt aan vrijheid, gezinsleven en rechtsbescherming moet voor onze Kamer helder zijn welke keuzes worden gemaakt, welke waarborgen gelden en waar de grenzen van de overheidsbevoegdheden liggen. Daar komt nog bij dat het nieuwe stelsel buitengewoon complex wordt. Er is een rechtstreekse inwerkingtreding van EU-verordeningen, er is nationale wetgeving, er komen nog AMvB's, ministeriële regelingen en er is het overgangsrecht of, beter gezegd, het gebrek aan overgangsrecht. Het loopt allemaal door elkaar en daar kunnen wij als Kamer nu nog geen oordeel over vellen. Onze fracties onderschrijven dat Europese samenwerking noodzakelijk is. De vraag is of deze complexiteit de rechtszekerheid ten goede komt.

Voorzitter. Onze fracties onderschrijven dat Europese samenwerking noodzakelijk is om migratie efficiënt en humaan vorm te geven, maar bij de implementatie van het Asiel- en Migratiepact slaat deze minister de plank mis. Wij zien vandaag een wet die verder gaat dan Europees noodzakelijk, die extra druk legt op een al overbelaste uitvoering, die rechtsbescherming versobert, die fundamentele vragen oproept over kinderrechten en die op onderdelen schuurt met goede bestuurswetgeving. Juist in tijden van politieke druk moet deze Kamer blijven doen waarvoor zij bestaat: waken over de kwaliteit van wetgeving, de uitvoering van beleid en de fundamenten van de democratische rechtsstaat.

Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister. Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Nicolaï van de Partij voor de Dieren.