Plenair Doornhof bij behandeling Wet strafbaarstelling conversiehandelingen



Verslag van de vergadering van 2 juni 2026 (2025/2026 nr. 31)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 16.13 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Doornhof i (CDA):

Dank u wel, voorzitter. De gesprekken die ik heb gevoerd in de voorbereiding op dit debat waren indrukwekkend. Therapie om de seksuele gerichtheid van mensen te veranderen is, om het maar zacht te zeggen, niet zonder risico's. Collega Dittrich haalde al dominee Alexander Noordijk al aan. Hij spreekt in dit verband niet voor niets over psychisch gewelddadige activiteiten.

Dat is voor mijn fractie een belangrijk vertrekpunt bij de beoordeling van dit wetsvoorstel. Voor mijn fractie staat vast dat pastorale gesprekken over hoe er vanuit de geloofsovertuiging tegen homoseksualiteit wordt aangekeken, gevoerd moeten kunnen worden. Daarom is het een verbetering geweest om bij de al genoemde nota van wijziging aan de delictsomschrijving toe te voegen dat de handelingen om de seksuele gerichtheid te veranderen stelselmatig of anderszins op indringende wijze moeten gebeuren om strafbaar te zijn. Het gaat bij die strafbaarheid natuurlijk alleen om situaties waarbij ofwel minderjarigen in het spel zijn, ofwel misbruik wordt gemaakt van meerderjarigen in een afhankelijkheidsrelatie. Deze beperking in het voorstel mag als doorslaggevend kenmerk van het voorstel worden gezien om het überhaupt te kunnen aanvaarden. Zoals gezegd, conversiehandelingen kunnen erg schadelijk zijn. Maar volwassenen kiezen er zelf voor om te proberen van een bepaalde seksuele gerichtheid af te komen. Daarbij heeft de overheid zich terughoudend op te stellen. Artikel 10, lid 1 van de Grondwet en artikel 8 EVRM beschermen niet voor niets de persoonlijke levenssfeer van mensen.

In zoverre valt er nog wel een juridische kanttekening te plaatsen bij het feit dat conversiehandelingen bij volwassenen in het algemeen weliswaar niet strafbaar worden gesteld, maar het openlijk aanbieden van die handelingen wel verboden zou moeten worden. Mijn fractie plaatst een vraagteken bij de beperkte mate waarin de initiatiefnemers het aanvankelijke totaalverbod op het aanbieden van conversiehandelingen hebben afgezwakt. Het verbod om openlijk conversiehandelingen aan te bieden is in zekere zin in strijd met het genoemde grondrecht van potentiële vrijwillige deelnemers en aanbieders van legale conversiehandelingen zonder dat de rechtvaardiging hiervoor genoeg is gemotiveerd.

Gaat het om de strafbaarheid van conversiehandelingen jegens meerderjarigen waarbij misbruik wordt gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, dan was een aanscherping beter geweest. Enerzijds is het zorgvuldig van de initiatiefnemers dat ze de formulering "misbruik maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht" hebben ontleend aan de mensenhandelbepaling van artikel 273f Strafrecht. Anderzijds kan de vraag worden opgeworpen of er niet ook meer nadruk had moeten worden gelegd op het subjectieve onvermogen, de kwetsbaarheid, van de meerderjarige. Zo gebruikt — de naam van de wet viel al — de Wet seksuele misdrijven, die juist als doel heeft om kwetsbaren te beschermen binnen ongelijke machtsverhoudingen, de formulering "weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de ander daartegen niet bestand is" als zelfstandig bestanddeel van de delictsomschrijving. Uiteraard is de eis voor strafbaarheid dat misbruik; daar moet het om gaan. Maar volgens de CDA-fractie zou de vrije wil van meerderjarigen beter zijn gerespecteerd als de genoemde, ook vertrouwde formulering uit die Wet seksuele misdrijven aanvullend in het wetsvoorstel was opgenomen.

Voorzitter. Binnen deze Kamer is vandaag een belangrijke vraag of het bestrijden van de ellende die conversiehandelingen kunnen meebrengen überhaupt via het strafrecht moet gebeuren. Collega Marquart Scholtz haalde in dit verband mijn voorgangster Van Bijsterveldt aan. Ik wil graag wijzen op het boek van de voorzitter van het College van procureurs-generaal, professor Otte, De troost van gebrekkig strafrecht. Ik citeer daaruit: "De maakbaarheidsgedachte van maatschappelijke ordening en het ultieme geloof in het strafrecht als hoeder van onze veiligheid is in verschillende opzichten een naïeve (politieke) gedachte gebleken en is bovendien gevaarlijk voor ons samenlevingsidee, nu de verwachtingen onvoldoende worden waargemaakt." Ik zal me bescheiden opstellen, maar er valt natuurlijk wel een discussie te voeren over de vraag of professor Otte dat maakbaarheidsbegrip in het strafrecht niet wat te veel relativeert. Maar voor het huidige voorstel geldt in elk geval dat de initiatiefnemers ook zelf toegeven dat de handhaafbaarheid en effectiviteit bij voorbaat niet eenvoudig te beoordelen zijn.

In dit verband geldt dat Kamerleden, hier maar ook aan de overkant, de regering nogal eens het verwijt van symboolwetgeving maken. In zoverre past, als dit voorstel een meerderheid zou krijgen, in het vervolg wellicht soms ook een wat mildere bejegening van een minister als hij of zij bij de Staten-Generaal nieuwe regels verdedigt om een probleem aan te pakken, terwijl die minister niet altijd over empirisch materiaal beschikt om het effect te bewijzen.

Voorzitter. Al met al ligt er nu een voorstel voor waar dus kanttekeningen bij zijn te plaatsen. Wellicht kunnen de initiatiefnemers daarover hun mening geven. Sowieso dient zich de vraag aan of het voor de kwaliteit van ons strafrecht niet wenselijker zou zijn geweest om alleen op preventie in te zetten. Dat neemt niet weg dat mijn fractie wel snapt dat de Tweede Kamer in meerderheid toch naar dit instrument wilde kijken en daar uiteindelijk ook voor heeft gekozen. Daarmee wordt namelijk als norm gesteld dat conversiehandelingen ten aanzien van minderjarigen te ver gaan, evenals, onder omstandigheden, ten aanzien van meerderjarigen. Maar uiteindelijk hebben wij hier in deze Kamer een kwaliteitstoets te verrichten waarvan de uitkomst afgezet moet worden tegen ons vertrekpunt dat conversiehandelingen grote schade kunnen aanrichten.

Dank u wel.

De heer Schalk i (SGP):

Ik heb nog even een vraag aan de heer Doornhof. Hij geeft aan dat hij zich realiseert, net als de indieners zelf, dat de handhaafbaarheid een probleem is. Hoe kijkt de heer Doornhof aan tegen de uitvoerbaarheid?

De heer Doornhof (CDA):

Dat ligt misschien — als ik collega Schalk mag antwoorden, mevrouw de voorzitter — een beetje in elkaars verlengde, zou ik willen zeggen. U praat volgens mij over de uitvoerbaarheidstoets. Ik zou daarover willen zeggen dat het antwoord van collega Veldhoen op die vraag van u wel duidelijk was, namelijk: je hebt het Openbaar Ministerie, dat al dan niet kan beoordelen of aan die delictsomschrijving is voldaan en het dan voor de rechter kan brengen. Die uitvoeringspraktijk an sich werkt in ons Nederlandse strafrecht, zou je kunnen zeggen; dat klopt wel. De vraag is alleen of het te doen is om dat te bewijzen, gelet op hoe die delictsomschrijving nu luidt. Als u dat als uitvoeringsvraag opwerpt, hebt u een terecht punt. Ik zou dat misschien dan ook wat meer in de handhaafbaarheid willen plaatsen. Maar ik kan er collega Schalk natuurlijk gelijk in geven: dat is een probleem.

De heer Schalk (SGP):

Als de heer Doornhof net als mevrouw Veldhoen zegt dat het Openbaar Ministerie er iets van heeft gevonden en dat daarmee de uitvoerbaarheidstoets in feite rond is, dan zijn we, denk ik, heel ver van het spoor af van waar we normaal gesproken als Eerste Kamer naar moeten kijken, namelijk uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid naast het belangrijke punt van rechtmatigheid. Ik zou dus toch aan de heer Doornhof willen vragen: is die uitvoerbaarheid wel voldoende gecheckt?

Mag ik meteen een vervolgvraag stellen, mevrouw de voorzitter? Ik heb de heer Doornhof heel veel horen zeggen over de meerderjarigen. Bij de minderjarigen noemde hij even de pastorale gesprekken. Maar juist daarbij zit een heel belangrijk stuk van de zorg, namelijk dat pastorale gesprekken indringend of stelselmatig gevoerd kunnen worden of beide. Dan is er eigenlijk geen antwoord op de vraag of dat nou nog wel of niet mag.

De heer Doornhof (CDA):

Ik vind dat die discussie door collega Schalk dan wat te zeer geproblematiseerd wordt. Waarom? Ik ben niet voor niets begonnen met die tweede nota van wijziging. Die was cruciaal, ook in vervolg op het advies van de Raad van State, om toe te voegen. Want kom je dan niet te snel in de sfeer van de gesprekken waar collega Schalk over praat? Maar als je dan ziet hoe het er staat, namelijk het echt willen veranderen van een gerichtheid, en als je dan ziet dat het echt gaat om dat stelselmatige en dat indringende, dan praat je over zo'n conversietherapie, waarvan u ook de slechte verhalen kent. Ik denk dat een officier van justitie uiteindelijk, als die het kan bewijzen, daarmee wel uit de voeten kan. De vraag is alleen — die moet u beantwoorden en die moet mijn fractie beantwoorden — of u vindt dat dat strafbaar zou moeten zijn. Maar als je de vraag of dat zou moeten kunnen beantwoordt met "ja", dan blijf je nog met de vraag zitten — dat is door de initiatiefnemers erkend — of je in een concreet geval echt voor die handhaving zou kunnen zorgen, omdat je met het probleem zit dat alles natuurlijk in beslotenheid plaatsvindt en het heel lastig is om geloofwaardige getuigen en anderszins ondersteunend bewijsmateriaal boven tafel te krijgen.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Schalk.

De heer Schalk (SGP):

Ja, maar dat heeft dan toch consequenties voor de wijze waarop het pastoraat of het mentoraat op een school, waarbij de ouders misschien wel adviezen geven aan hun kinderen, wordt vormgegeven? Als die niet affirmerend zijn, dan kunnen ze al als onderdrukkend worden ervaren. Zo lees ik het wetsvoorstel. Dat is dan dus toch heel erg ingrijpend?

De heer Doornhof (CDA):

Misschien moet collega Schalk de discussie hierover straks aangaan met de initiatiefnemers. Ik vind de mate waarin u dit probleem naar voren brengt lastig, omdat je juist met de formulering zoals die gekozen is — ik heb ook gewezen op de zorgvuldigheid waarmee is aangesloten bij bestaande termen in het strafrecht — maar niet even snel de gedachte kunt hebben: ja, maar we praten hier binnen onze geloofsgemeenschap over dat onderwerp en ik moet meteen bang zijn dat de politie op mijn stoep staat. Dat probeert de heer Schalk misschien een beetje te doen. We mochten van collega Veldhoen niet de Tweede Kamer gaan recenseren; misschien mag dat wel als je daar een positieve noot bij kunt plaatsen. Ik denk dat men binnen die Kamer niet over één nacht ijs gaat. Enerzijds wordt gezegd dat er een hoop wijzigingen in zijn aangebracht. Dan denk ik: ja, maar goed ook, omdat je dan ziet dat Kamerbreed is meegedacht over het voorstel en het niet alleen bij de initiatiefnemers is gebleven. Uiteindelijk is in meerderheid gezegd: met deze delictsomschrijving — die is naar mijn opvatting gewoon streng, maar daar mag de heer Schalk anders over denken — kun je uit de voeten en weet je dat we die therapie niet op kinderen gaan loslaten.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van der Linden van de VVD.