Verslag van de vergadering van 15 juni 2026 (2025/2026 nr. 33)
Status: gecorrigeerd
Aanvang: 22.29 uur
De heer Dessing i (FVD):
Voorzitter, dank u wel. Wat is de afdronk van dit debat voor mij? Supertechnocratisch, lastig om te volgen, maar vooral: Groundhog Day. Want ja, het is inderdaad een herhaling van zetten van vorig jaar. En ja, ik ben het met de andere sprekers eens dat als we niet oppassen, we dan volgend jaar exact hetzelfde debat hebben.
Er is nog geen begin van een overzicht van financiële rechtmatigheid binnen de problematiek die wij vorig jaar al constateerden. Ik hoor de minister een heleboel intenties uitspreken c.q. voorlezen. We zullen, we zullen, we gaan, we hebben de intentie om … Maar daar kopen we natuurlijk niks voor. Ik zou eigenlijk graag een reflectie willen vanuit het hart, want ik mis in dit technocratische debat de gevolgen voor de burgers door de stapeling van maatregelen van het Rijk en ook de stapeling van taakstelling die bij de gemeentes wordt neergelegd.
Ik mis de compassie voor wat dat doet met de burger van de gemeente. Daar zouden wij in dit huis toch echt meer oog voor moeten hebben. Is de minister het dus met mij eens dat de structurele oplossing niet is, het zoeken naar het verminderen van de taakstelling vanuit het Rijk om de gemeentes en eigenlijk ook de provincies te ontlasten? Dat is mijn oproep en graag een eerlijke reflectie van de minister.
Dank u wel.
De heer Van Hattem i (PVV):
Ik heb toch een vraag aan de heer Dessing van FVD. Ik hoor hem spreken over de financiële rechtmatigheid. We hebben het over de begroting van het gemeentefonds. Zitten er onrechtmatigheden in het gemeentefonds, in de uitvoering? We hebben een discussie over hoe zaken verdeeld worden, maar staat de rechtmatigheid ook ter discussie? Als dat zo is, ben ik wel heel benieuwd welke bevindingen hij hierover heeft.
De heer Dessing (FVD):
Waar ik meer op doel, is het feit dat van de stapeling van taakstelling en de uitbreiding van taakstelling de reflex vandaan komt van het vragen van meer geld. Gemeentes kijken niet zozeer naar wat ze doen in het reduceren van taken die misschien niet nodig zijn en het zorgvuldig besteden van het geld aan de zaken waar ze echt voor aan de lat staan, namelijk dat de straten schoon zijn, dat de infrastructuur op orde is en dat de politie in de steden haar werk goed kan doen in plaats van allerlei andere zaken.
De heer Van Hattem (PVV):
Dan hebben we het eigenlijk gewoon over de doelmatigheid. Dat is een beetje de andere kant van de medaille. Gemeentes hebben vanuit de Gemeentewet ook mogelijkheden om daar onderzoek naar te laten doen. Is de heer Dessing het met me eens dat het nuttig kan zijn als decentrale overheden vaker van dat instrument gebruik maken om onderzoek te laten doen naar rechtmatigheid en doelmatigheid? Het is goed dat lokale volksvertegenwoordigers ook daadwerkelijk inzicht krijgen en scherper kunnen sturen op deze dossiers, zodat deze taken ook gewoon beter in beeld komen en of ze goed worden uitgevoerd op een doelmatige manier.
De heer Dessing (FVD):
Ik denk dat de heer Van Hattem daar de spijker op zijn kop slaat. Juist het inzicht voor met name de gemeenteraadsleden over welke knoppen ze als raadslid tot hun beschikking hebben en hoe ze eraan kunnen draaien om te zorgen dat er echt kan worden gekeken naar het goed en adequaat besteden van de financiële middelen die er zijn, kan een oplossing zijn voor de problematiek die we hier met elkaar hebben benoemd, denk ik, ja.
De voorzitter:
Ik constateer dat u het met elkaar eens bent.
De heer Van Hattem (PVV):
Ik denk dat inderdaad de artikel 217a onderzoeken beter en nuttiger kunnen worden ingezet in het Nederlandse publieke domein.
De voorzitter:
Mooi. Dan bent u aan de beurt, meneer Van Hattem, voor uw inbreng in de tweede termijn.