Verslag van de vergadering van 8 september 2026 (2025/2026 nr. 40)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 17.16 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Petersen i (VVD):
Voorzitter, dank u wel. Het gebeurt niet vaak dat we in deze Kamer debatteren over een wetsvoorstel dat al is ingevoerd en ruim een halfjaar operationeel is. Dat is helaas een ongelukkige start van de behandeling van een wetsvoorstel waarbij de VVD-fractie ook een aantal inhoudelijke kanttekeningen wil plaatsen. De fractie betreurt het slordige proces dat de regering heeft gevolgd met de parlementaire besluitvorming. De minister heeft in zijn brief van 18 juni jongstleden herhaald dat hij zich genoodzaakt zag snel te handelen vanwege de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, maar daarmee werpt de minister de vraag op wat zwaarder weegt om tot implementatie van het wetsvoorstel over te gaan: een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep of parlementaire instemming door beide Kamers van de Staten-Generaal. Graag horen wij van de minister vandaag zijn perspectief hierop.
De minister heeft in de schriftelijke behandeling aangegeven dat als de Eerste Kamer dit wetsvoorstel afkeurt, dit vergaande verdringingseffecten heeft op andere IT- en beleidstrajecten binnen de SVB en dat dit herstelacties vraagt met grote gevolgen voor budgethouders en zorgverleners. Daarmee wekt de minister de indruk dat hij de verantwoordelijkheid hiervoor bij de Eerste Kamer neerlegt. Mijn fractie hoopt dat deze indruk niet terecht is en hoort graag van de minister wie in dit mogelijke scenario verantwoordelijkheid draagt: de Eerste Kamer of de regering.
Dan naar de inhoud, voorzitter. VVD-staatssecretaris Erica Terpstra was in het eerste kabinet-Kok de stimulerende kracht achter het pgb. Ze noemde het haar politieke kindje. Haar fundamentele ambitie was zorgconsumenten meer vrijheid en meer zelfbeschikking over hun eigen leven te geven. Het voorliggende wetsvoorstel zet deze ambitie onder druk. Daarover heeft de VVD vragen en opmerkingen.
De Raad van Beroep heeft uitspraak gedaan in een individuele casus met een beperkte reikwijdte. De regering heeft hier aanleiding in gezien een wetsvoorstel te presenteren met ruime uitwerking, die verdergaat dan de zuivere implementatie. Zo is niet alleen de WW-verzekeringsplicht, maar de verzekeringsplicht voor alle werknemersverzekeringen in het wetsvoorstel verwerkt, en ook een aanzienlijk langere duur van loondoorbetaling bij ziekte, vakantiedagen et cetera. De regering maakt bewust de inschatting dat dit vroeg of laat door de rechter verordonneerd zal worden, maar de VVD-fractie had er de voorkeur aan gegeven dat de minister hierover een juridisch-inhoudelijke toets door de rechter zou hebben afgewacht, in plaats van te kiezen voor een ruimere uitwerking dan de uitspraak strikt genomen vraagt. De VVD-fractie vraagt de minister dan ook of de complexiteit van dit wetsvoorstel niet onnodig is vergroot door de veel ruimere uitwerking van de uitspraak van de raad. Wordt door deze grote complexiteit niet een onnodig groot beroep gedaan op het hier al vaak genoemde doenvermogen van de pgb-houders? Had de aanzienlijke stijging van de werkgeverslasten met een zuivere uitwerking beperkt kunnen worden?
Voorzitter. De stijging van de werkgeverslasten steekt de VVD-fractie als een graat in de keel. De tijdelijke duur van twee jaar voor de compensatie hiervoor maakt de budgethouders bezorgd. Op vragen van de VVD-fractie in de schriftelijke behandeling heeft de minister hierover geantwoord: "Als de werkgeverslasten voor budgethouders toenemen, zal de regering hier rekenschap aan moeten geven. Het blijft immers van belang dat budgethouders in staat blijven om de geïndiceerde zorg in te kopen." De VVD waardeert dit antwoord uiteraard, maar zou toch namens de pgb-houders meer concrete zekerheid hierover willen krijgen. Daarom vragen wij of de minister hier vandaag in gewonemensentaal kan toezeggen dat budgethouders ook na afloop van de toegezegde compensatieperiode van twee jaar in staat blijven hun geïndiceerde zorg in te kopen.
De minister heeft uitgebreid beschreven hoe budgethouders zullen worden ondersteund. Dat is belangrijk, maar dit betreft vooral de administratieve en praktische werkgeversverantwoordelijkheden. De VVD zou daarnaast graag zien dat budgethouders worden geholpen om hun zorg zo slim mogelijk in te kopen, zodat zij op een efficiënte manier hun geïndiceerde zorg kunnen krijgen. Kan de minister aangeven welke mogelijkheden hij ziet om pgb-houders deze inkoopondersteuning te geven? Als dit extra capaciteit en hulpmiddelen vraagt, kan hij dan ook aangeven hoe hij deze in stelling zal brengen?
Ten slotte is de VVD-fractie ook bezorgd over de fraudegevoeligheid van het pgb. We rekenen erop dat de minister deze zorg deelt. De minister heeft in de Tweede Kamer aangegeven dat hij de omvang van de pgb-fraude niet kan inschatten. De omvang van de fraude in de zorg, bijvoorbeeld bij de Wmo en de jeugdzorg, die naar schatting 10% is, doet vermoeden dat deze toch fors kan oplopen. De VVD-fractie hoopt dan ook dat de minister onze ambitie deelt om de stijgende kosten die voortvloeien uit dit wetsvoorstel ten minste voor een deel uit fraudevermindering te betalen. In het wetsvoorstel zijn hiervoor helaas geen maatregelen opgenomen. Daarom zijn wij benieuwd of de minister kan aangeven waar hij ruimte ziet om fraude zo veel mogelijk buiten de deur te houden.
Voorzitter. Met de keuze voor de ruime uitwerking wordt het behoud van de keuzevrijheid voor veel budgethouders ingewikkelder. Het is al genoemd. Zij behouden weliswaar formeel hun vrijheid, maar toch bestaat het risico dat een aantal van hen met tegenzin voor georganiseerde zorg zou kiezen en daarmee een deel van de keuzevrijheid zou inleveren. Dit kan een indicator zijn van erosie van de oorspronkelijke pgb-ambitie van persoonlijke regie, zoals staatssecretaris Erica Terpstra die ooit bedoelde. Is de minister bereid te monitoren of het aantal budgethouders dat inkoopt via georganiseerde constructies, zoals zorginstellingen of bemiddelingsbureaus, toeneemt ten opzichte van de rechtstreekse arbeidsrelaties, en de Kamer hierover te informeren bij de evaluatie na drie jaar?
Voorzitter. De VVD wacht de reactie van de minister met nieuwsgierigheid en belangstelling af. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik zag mevrouw Ramsodit eerst opstaan.
Mevrouw Ramsodit i (GroenLinks-PvdA):
Het is mooi dat mevrouw Terpstra niet alleen voor de hoedjes heeft gezorgd, die we volgende week wellicht te zien krijgen, maar ook aan de inhoud zoals we die hier kennen een belangrijke bijdrage heeft geleverd. Ik heb naar aanleiding van uw punt over de geïndiceerde zorg de volgende vraag. U hecht belang aan zelfregie. Dat onderschrijven wij. Zou het wat u betreft zo kunnen zijn dat de zelfregie behouden wordt, maar de verantwoordelijkheid van het formele werkgeverschap ergens anders ligt?
De heer Petersen (VVD):
Ik geloof dat dat bij dit wetsvoorstel niet aan de orde is. De ondersteuning van het werkgeverschap komt bij de SVB te liggen. Dat lijkt ons een goede plaats. Die heeft daar ervaring mee. Het is al genoemd: de mensen die vier dagen of meer zorg ontvangen, laten dat ook door de SVB doen. Ik heb niet begrepen dat daarbij hele grote problemen zijn. De vraag die u stelt, is interessant, alleen niet aan de orde in dit debat. Ik heb daar dus niet een hele uitgesproken verdere mening over.
Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):
Het is wel aan de orde wat betreft het belang dat wordt gehecht aan een werkbaardere en toekomstbestendigere manier van omgang met het pgb en wat betreft de knelpunten die we hier in deze Kamer met elkaar zien rond het doenvermogen ten aanzien van het werkgeverschap. Wat is dan uw antwoord?
De heer Petersen (VVD):
Ik denk dat het uitgangspunt van de VVD-fractie hetzelfde is als het uitgangspunt van staatssecretaris Terpstra in die tijd. Daarom heb ik aan het eind van mijn betoog gevraagd of de minister in de evaluatie over drie jaar wil aangeven hoeveel pgb-zorg in de traditionele zin is verschoven naar georganiseerde zorg. Dat zou geen goed teken zijn. Dat ondermijnt ook de bedoelingen van het pgb. Wij zijn voor alle maatregelen, veranderingen en ideeën die er uiteindelijk toe zullen leiden dat de zorg weer op de plek komt waar die hoort, omdat onze fractie groot voorstander is van het pgb. We geloven daarin. We hebben van mensen van Per Saldo gehoord dat er grote tevredenheid over is. Het werkt. Het is heel belangrijk dat dat zo blijft. Voor zover dat niet kan door omstandigheden die hebben geleid tot dit wetsvoorstel, hopen we dat de beweging door initiatieven van de regering zo snel mogelijk weer teruggaat, om de werking van het pgb, waar dat kan, zo veel mogelijk te behouden.
Mevrouw Ramsodit (GroenLinks-PvdA):
Dank voor uw antwoord.
De heer Van Apeldoorn i (SP):
Ik hoorde de heer Petersen van de VVD-fractie zich zorgen maken over de vergrote werkgeverslasten voor pgb-houders. Die zorgen deelt de SP-fractie ook. Daarom zou daarvoor een duurzame oplossing gevonden moeten worden. Ik hoorde de heer Petersen in zijn betoog ook zeggen dat hij het betreurt dat de regering gekozen heeft voor een ruime uitwerking of toepassing wat betreft de principes zoals vastgelegd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dat wil zeggen dat men het breder getrokken heeft naar ook andere werknemersrechten. Dat zou het dan allemaal nog ingewikkelder maken. Maar wat vindt de VVD-fractie dan van het principe van gelijke behandeling en het verbod op indirecte discriminatie op de arbeidsmarkt, zoals dat ook vastgelegd is in de zogenaamde Europese derde richtlijn?
De heer Petersen (VVD):
De VVD-fractie is, zoals u bekend zal voorkomen, voor het principe van gelijke monniken, gelijke kappen. Alleen is er geen sprake van gelijke monniken, gelijke kappen op het moment dat er in de wet verschil wordt gemaakt tussen drie dagen en minder zorg en vier dagen en meer zorg. De uitwerking gaat verder dan de zuivere uitwerking. Dat hadden wij liever anders gezien. Dat zal u ook niet verbazen, omdat de VVD ook bij andere uitspraken in principe voorstander is van een zuivere uitwerking. Dat geldt ook voor veel zaken die uit Europa komen. Daarover hebben we ook gezegd wat ik zojuist heb verteld namens de fractie: we hadden liever gezien dat de minister de juridische toets door de rechter had afgewacht in plaats van zelf het wetsvoorstel groter te maken dan de uitspraak van de Raad heeft gevraagd.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Maar neemt de VVD-fractie hierbij dan ook afstand van … Natuurlijk, de VVD mag er een andere kijk op hebben, maar begrijp ik het goed dat de VVD-fractie het niet eens is met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep? De heer Petersen zegt dat "gelijke monniken, gelijke kappen" hier niet geldt, maar dat gaat eigenlijk in tegen die uitspraak, want die stelt dat ook als er minder dan vier dagen wordt gewerkt, je niet deze hele groep zorgverleners, die voornamelijk uit vrouwen bestaat, kan uitzonderen van het huidige arbeidsrecht. Dat is een ongerechtvaardigde vorm van indirecte discriminatie op basis van het Europese recht. Logischerwijs zou dat dan ook gelden voor andere werknemersrechten, vandaar dat de regering dat ook zo heeft toegepast, denk ik. Dus ik vraag eigenlijk ook wat de VVD-fractie inhoudelijk vindt van het principe dat is vastgelegd, ook in het Europese recht, dat je niet mag discrimineren, ook niet indirect, en van de manier waarop de Centrale Raad van Beroep dat ook heeft uitgelegd. Is dat niet een principe waar de VVD-fractie ook aan hecht?
De heer Petersen (VVD):
Wat mij betreft is wat voorligt de uitwerking van de uitspraak van de Raad. Daarover hebben wij gezegd dat we die uitwerking liever zuiver hadden gezien in plaats van met een ruime implementatie, om de redenen die ik heb genoemd. Dat is wat relevant is voor dit debat, denk ik.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Apeldoorn.
De heer Van Apeldoorn (SP):
Tot slot. Ik constateer dat collega Petersen geen inhoudelijk antwoord geeft op mijn inhoudelijke vraag over wat hij vindt van het beginsel zoals dat vastgelegd is in de Europese derde richtlijn, die erover gaat dat je niet mag discrimineren op de arbeidsmarkt, ook niet op een indirecte manier.
Misschien dan toch een andere vraag waar hij misschien wel antwoord op kan geven. Hij zegt: we moeten gerechtelijke uitspraken, verdere jurisprudentie, afwachten. Dan creëer je toch ook nog heel veel onzekerheid, zowel voor pgb-budgethouders als voor pgb-zorgverleners? Want het ligt toch in de rede dat als de ene vorm van discriminatie verboden is, de andere vorm van discriminatie, die ook te maken heeft met het arbeidsrecht, uiteindelijk ook juridisch niet door de beugel kan? Er lopen nu allemaal processen. Dan moeten we dus afwachten tot die processen tot een einde komen en de rechter een uitspraak doet, waarna er weer opnieuw reparatiewetgeving zou moeten komen. Dat is dus de weg waar de VVD voor kiest?
De heer Petersen (VVD):
In dit geval hadden we liever gezien dat de minister zich had beperkt tot een uitvoering die zuiver was en dus het punt waar de Raad over heeft geoordeeld, had uitgewerkt. Wij zijn er geen voorstander van dat dit soort uitspraken als haakje wordt gezien voor ruimere uitwerking in wetgeving. Dat is wel gebeurd. Dat hadden wij liever anders gezien. Ik heb ook aangegeven dat we dat liever hadden gezien met een juridische toets door een rechterlijke uitspraak.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors de beraadslaging en de vergadering voor de dinerpauze tot 19.00 uur.
De beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Voor de goede orde meld ik nogmaals dat na de dinerpauze de stemming plaatsvindt over het voorstel om het Reglement van Orde te wijzigen. Let u dan op de stemmingsbel.
Straks wordt in de Hall het publieksrapport Parlementsonderzoek 2025 overhandigd aan de beide Kamers. Namens de Eerste Kamer zal ik het rapport in ontvangst nemen. U bent natuurlijk ook van harte uitgenodigd om daarbij aanwezig te zijn.