Verslag van de vergadering van 29 juni 2026 (2025/2026 nr. 36)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 19.22 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Beukering i (Fractie-Beukering):
Dank u wel, voorzitter. Ik spreek inderdaad mede namens de Fractie-Walenkamp. Welkom aan de minister en de staatssecretaris. We spreken vandaag over Defensie, Samen voorwaarts!, een grote technologische sprong voorwaarts, geld, dreiging, materieel en paraatheid. Laat ik helder zijn: wij zijn blij dat Nederland eindelijk weer serieus investeert in zijn krijgsmacht. Dat is nodig. Het is helaas wel erg laat, maar het is terecht en hopelijk niet te laat.
Voorzitter. Vandaag wil ik waarschuwen voor een grote gevaarlijke denkfout. Een krijgsmacht bouw je niet alleen met geld. Een krijgsmacht bouw je niet alleen met staal. Die bouw je niet alleen met voertuigen, schepen, drones, antidrones, munitie, satellieten en digitale systemen. Een krijgsmacht bouw je met mensen. Daar zit wat ons betreft de bottleneck in deze begroting. We kunnen prachtige plannen maken voor nieuwe capaciteiten. Dat is allemaal belangrijk, maar als er straks onvoldoende militairen zijn om dat materieel te bedienen, te onderhouden, te beveiligen en daadwerkelijk in te zetten, dan hebben we allemaal vooral een dure etalage gebouwd. Een tank rijdt niet vanzelf. Een schip vaart niet zonder bemanning. Een onderzeeboot is waardeloos als de Onderzeedienst leegloopt. Een brigade of zelfs het JIVC bestaat niet alleen uit powerpointslides of consultants, maar ook uit mannen en vrouwen, vooral die met gevechtslaarzen.
Voorzitter. Defensie spreekt terecht over groei. De vraag is: is die groei werkelijk haalbaar? Er wordt gesproken over werving, reservisten, dienjaarmilitairen, nationale weerbaarheidstrainingen en maatschappelijke betrokkenheid. Op zichzelf is dat goed. Iedere Nederlander die zich meldt bij Defensie verdient al waardering. Iedere reservist die tijd, energie en verantwoordelijkheid wil leveren, verdient respect. We moeten echter wel eerlijk blijven. Een geslaagde campagne is nog geen gevulde eenheid. Een training van tien weken levert geen inzetbare brigade. Een bekend gezicht in uniform lost geen structureel tekort aan onderofficieren, technici, specialisten en beroepsmilitairen op. Dit is geen zuurheid; dit is krijgsmachtlogica. Frans Matser, een ouderejaars van mij, schreef daar onlangs scherp over in de Militaire Spectator. Zijn boodschap was ongemakkelijk, maar naar ons oordeel terecht: de gewenste extra personele groei komt er met het nieuwe beleid ook niet. Over de beoogde 25.000 extra fitte, goedgetrainde beroepsmilitairen voor de uitvoering schreef hij: die komen er dus nooit. Dat is een harde zin, maar die verdient wel een serieus antwoord van de minister, niet in communicatietaal, niet in beleidsproza, maar in aantallen. Hoeveel operationele mensen komen er nu daadwerkelijk bij? Hoeveel vallen er af? Hoeveel stromen er weer uit? Hoeveel zijn er volledig opgeleid? Hoeveel zijn er daadwerkelijk inzetbaar? Hoeveel zitten er in de functies waar de krijgsmacht het hardst om schreeuwt?
Daarbij hoort ook de vraag: zijn of worden de aanname-eisen verlaagd? Laat hier geen misverstand over bestaan: werven uit de volle breedte van Nederland is noodzakelijk, maar Defensie mag nooit een organisatie worden waar men de norm verlaagt om een streefcijfer te halen. De krijgsmacht is geen sociale werkplaats en geen beleidslaboratorium. De krijgsmacht is er om Nederland, onze maatschappij en onze bondgenoten te verdedigen. Dat vraagt ook om gelijke kansen, prima. Maar het vraagt ook om hoge eisen, selectie, discipline en vakmanschap. De eisen verlagen is het begin van het einde; een hele dure les uit de periode na de Vietnamoorlog. Skill-based selectie lijkt daar wel heel veel op. Graag een uitleg van de minister.
Voorzitter. Het personeelsprobleem is niet alleen een probleem van werving; het is ook een probleem van behoud. Wie goede mensen binnenhaalt maar ze vervolgens kwijtraakt door bureaucratie, slechte en moeilijk bereikbare huisvesting, kazernes, lange procedures, gebrek aan duidelijkheid of een cultuur waarin tegenspraak niet wordt gewaardeerd, is aan het dweilen met de kraan open.
Daarmee kom ik op de cultuur binnen Defensie. Defensie is een bijzondere en prachtige organisatie. Hiërarchie is nodig, discipline is nodig, loyaliteit is nodig. Zonder dat functioneert een krijgsmacht niet. Maar loyaliteit is iets anders dan zwijgen. Discipline is iets anders dan alleen maar meelopen. En commandovoering is iets anders dan braaf groepsdenken en de baas of de minister naar de ogen kijken. Een professionele krijgsmacht heeft tegenspraak nodig. Juist een krijgsmacht heeft mensen nodig die durven zeggen: commandant — of soms "excellentie"— dit klopt niet, dit is onjuist, dit werkt niet, dit is onveilig, dit is niet uitvoerbaar, dit gaat ons mensen kosten. Als zulke signalen worden weggezet als lastig, oncollegiaal of schadelijk voor de carrière, ontstaat gevaarlijk groepsdenken en risicomijdend gedrag. Dat is in een militaire organisatie ronduit gevaarlijk. Dat leidt tot een papieren gereedheid, schijnzekerheid en uiteindelijk tot verkeerde besluiten op basis van veel te rooskleurige rapportages.
Daarom moet Defensie beter omgaan met melders, klokkenluiders en mensen die intern misstanden aankaarten of simpelweg kritisch zijn; niet omdat zij de organisatie willen beschadigen, maar omdat zij de organisatie vaak juist proberen te behoeden voor grotere schade. Graag speciale aandacht van de minister hiervoor. Vanavond is er trouwens weer een uitzending over bij SBS 6. Een cultuur die de boodschapper straft — dat gebeurt helaas nog te vaak — verliest op den duur de werkelijkheid uit het oog. De krijgsgeschiedenis kent daarvan helaas meer dan genoeg voorbeelden.
Voorzitter. Mijn volgende punt gaat over wie we eigenlijk willen bereiken, want Nederland is veranderd. De krijgsmacht zal moeten putten uit de volle breedte van de Nederlandse samenleving. Dat is geen modieuze wens, dat is bittere noodzaak. Als wij Nederlanders met een immigratieachterstand onvoldoende bereiken, laten wij talent liggen. Dan missen wij technisch talent, taaltalent, fysieke kracht, cultureel begrip, ondernemerschap en loyaliteit aan Nederland die er gewoon is, maar die blijkbaar onvoldoende wordt aangesproken. Dat is strategisch onverstandig. Defensie moet dus veel meer naar scholen, wijken, sportclubs, vmbo's, mbo's, hbo's, technische opleidingen, kerken, moskeeën, buurtorganisaties en werkgevers, waar zij nu nog niet vanzelfsprekend aanwezig is. Nu niet met woke diversiteitstaal, niet met misplaatste stoerheid en zeker niet met verlaagde eisen, maar met een helder verhaal: Nederland en zijn maatschappij hebben jou nodig. De krijgsmacht is ook van en voor jou. Vrijheid moet worden verdedigd en wie verantwoordelijkheid wil dragen en wil pakken, hoort erbij.
Voorzitter. Daarmee kom ik op de maatschappelijke weerbaarheid. Weerbaarheid ontstaat niet door één campagne, één training of een paar mooie beelden op televisie. Echte maatschappelijke weerbaarheid bouw je over een generatie. En daarbij moeten we ook weer durven spreken over nationale verbondenheid en nationale trots. Trots wordt in Nederland te vaak verdacht gemaakt, alsof liefde voor je land, je stad of dorp of jouw familie per definitie iets gevaarlijks is. Alsof trots op Nederland meteen racisme, fascisme of uitsluiting zou zijn. Dat is onzin. Als Oekraïners trots mogen zijn op Oekraïne — en dat mogen zij, terecht — waarom zouden Nederlanders dan niet trots mogen zijn op Nederland? Trots op Nederland is geen racisme. Trots op Nederland is geen fascisme. Trots op Nederland is geen bedreiging voor anderen. Gezonde nationale trots betekent dat je weet waar je vandaan komt, waar je van houdt en waar je voor staat, dat je begrijpt wat vrijheid, rechtsstaat, democratie en verantwoordelijkheid waard zijn en dat je bereid bent iets terug te doen voor het land dat jou en je dierbaren bescherming, kansen en vrijheid biedt. Een land dat haar eigen verhaal niet meer durft te vertellen en jonge mensen vooral leert met schaamte naar zichzelf te kijken, moet niet verbaasd zijn als diezelfde jonge mensen niet meer begrijpen waarom ze dat land met zijn waarden juist moeten verdedigen, desnoods met het hoogste offer.
Daarom begint maatschappelijke weerbaarheid niet pas bij defensie. Die begint thuis, in het basisonderwijs en in het Jeugdjournaal, in burgerschap, in geschiedenis, in kennis van de democratische rechtsstaat, in het diepe besef dat Nederland niet zomaar is ontstaan en dat vrijheid niet vanzelf blijft bestaan. Kinderen hoeven geen militairen te worden, maar ze moeten wel leren dat het belangrijk is om de waarden en normen van Nederland te kennen, te waarderen en als het erop aankomt te verdedigen. Dat is geen indoctrinatie, maar burgerschap.
Mijn vraag aan de minister is daarom eenvoudig: kan de minister een realistisch personeelsplan geven en kan zij het parlement daarvan op de hoogte houden? Ik denk dan aan een personeelsplan waarin niet de ambitie, maar de haalbaarheid centraal staat. Ik doel op een plan met harde cijfers over instroom, uitstroom, opleiding, behoud en daadwerkelijke inzet, een plan waarin cultuurverandering zichtbaar wordt in bescherming van tegenspraak, een betere omgang met klokkenluiders en minder braaf groepsdenken en een plan waarin Defensie aantoonbaar werkt aan het bereiken van Nederlanders die nu nog onvoldoende worden aangesproken, zonder woketaal, zonder verlaagde eisen, maar met burgerschap, dienstbaarheid en gezonde nationale trots.
Voorzitter. We hebben geen papieren krijgsmacht nodig. We hebben een krijgsmacht nodig die werkt. Nieuw materieel is nodig en meer geld is nodig, maar zonder mensen is taal slechts taal, zonder een gezonde cultuur is groei slechts drukte, zonder brede maatschappelijke binding, draagvlak en begrip is weerbaarheid slechts een woord en zonder nationale trots wordt dienen een abstract begrip.
Voorzitter. De kern is simpel. Als wij de mensen niet hebben, hebben we de krijgsmacht niet. Daarom moet personeel niet het sluitstuk zijn van deze begroting, maar het beginpunt.
Dank u wel. We kijken uit naar de antwoorden.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Kemperman van de fractie van Forum voor Democratie.